en verbleekte. Ja — laten we maar naar huis gaan Coba, zei ze gejaagd.
Ze ontmoette Leendert’s blik, die deelneming uitstraalde. Hij greep haar hand, die ze zenuwachtig vastklemde.
— Ja — ga mee Coba — zei hij nu kort. Chris was vooruitgeloopen, had zich in den strijd willen mengen, doch kwam gejaagd terug.
— Leendert — Leendert —.
Deze oogwenkte naar Coba.
— We gaan naar huis, zei hij. —
De straat had nu weer een ander aanzien gekregen. De-„poot” en zijn mannen waren beneden gekomen en nu was er geen reden meer tot verzet. De stakers vochten al niet meer en juichten nog steeds de ontkleede gedaanten na. Slechts enkelen hadden Hooglandt herkend, doch allen schreeuwden zijn naam mee, wijl dat zoo de gewoonte was. Die Nelis omringden, vielen hem bij.
— Ouwe foddesak — me pisankies____
— Ouwe — pis-in-bed — kom d’r uit —
— Oud — sch____huis — me pisang — me — pi —
sang....
— Hei — kom je dat nest uit — we motte allemoal ’s....
De politie was plotseling als besluiteloos. De mannen
vochten niet meer, doch waren te talrijk, om zich zoo maar te laten verdrijven. Ze gaven geen acht op bevelen tot doorloopen, maar van arresteeren kon ook geen sprake zijn. Ze maakten er nu een grapje van en gooiden elkaar schertsend tegen de agenten op.
De villa brandde nu fel, maar de nabijzijnde huizen bleven tot nu toe gespaard. Daar klonken van verschillende kanten de bellen van de brandweer.
De grap was geëindigd.
162