— Die had jai wel gelust — hè ouwe snoeper, schertsten zij.
— Die is allein four boase____
— Joa — asse se getrouwd binne — anders niet....
Hooglandt had zich diep beschaamd, bijna radeloos,
teruggetrokken. Ze zagen hem niet meer, maar hun fel-doende schimpscheuten drongen tot hem door en kwetsten diep den trotschen ongenaakbaren man. Hij voelde het, daar lag zijn reputatie, zijn naam, zijn huiselijk geluk. Zijn liefde-geheim, zoo angstvallig bewaard, zag hij in handen gegeven van den troep stakers, die op hém meer dan op eenig ander, verbitterd waren.
Nog iets had hem gewond, feller, dan alle schimpscheuten der spottende mannen. In den buitensten kring had hij zijn beide dochters bespeurd met de twee jonge posters en hij twijfelde niet, of ze hadden hem ook herkend. En zoo niet, dacht hij bitter, dan zouden de kreten der mannen haar wel gauw genoeg inlichten. Tranen van wrok en van spijt drongen hem in de oogen. Hem, den hoovaardigste der patroons, den strengste der vaders, moest zoo iets gebeuren. Hoe zou hij de kinderen ooit weer onder de oogen durven komen. —
Bij den eersten kreet had Leendert opgekeken, hevig verrast en aanstonds herkende hij den vader van zijn meisje. Hooglandt trok zich direct weer in de kamer terug, maar de meisjes hoorden nu met verbazing haar naam roepen.
— Ze juichen ons toe, Bep, lachte de jongste.
— Het schijnt zoo, lachte nu Leendert zenuwachtig, laten we maar naar huis gaan.
— Hoe weten ze dat wij het zijn, peinsde Bertha, ze zien niet eens naar ons. Ze luisterde even scherper toe
De gezellige staking. II. 11. 161