— Fuil sch...huis, fuil siekreit! gilde hij woest.
Naast de lieve gestalte van mevrouw Laerden in nachtgewaad, was een tweede verschenen op haar angstig gegil. Landers en Joop blikten maar heel even op en beiden voelden een vreemde rilling hen doortintelen. Die man was baas Hooglandt. Hun meest geduchte tegenstander vertoonde zich openlijk in nachtgewaad naast zijn geliefde. Hun blikken ontmoetten elkaar een ondeelbaar oogenblik; zij begrepen.
— Fuile stroumatras — gemeine ou-e foddesak, joelde Nelis verwoed, nu hij een man naast zijn geliefde zag, heb je me doarfour me gulde afgerausd — — kom noa beneide ploert, salie we afreikene....
— Hou je kop dicht — stootte Joop hem aan.
— Fan main pisankies oanneime--en bekette--
en — en — temoate — — en mit hem noa ’t nest____
— Jongens daar staat baas Hooglandt — laten we hem
een hoeratje geven--baas Hooglandt met zijn „kal"!
riep Landers luid.
Als Hooglandt ook maar even aan de identiteit der vechters had getwijfeld dan gaven die woorden hem wel algeheele zekerheid. Zijn gelaat werd witter dan de kleur van zijn gewaad. Hij sprong terug, maar telaat.
— Boas Houglandt, boas Houglandt, joelde een honderdvoudige stem, boas Houglandt ken je ’t sou wel uit-houwe —.
— Seg — hei jai dat smoel wel ’s meir gesien — wat ’n gesicht.
— Jai ken ’m ouk____
— Fuile foddesak — fuile, gemeine hoer, joelde Nelis razend, nu omsloten door een troep knokploegers, die hem wilden opheffen.
160