villa begrensden. De ruiten van mevrouw Laerden’s huis sprongen krik-krakkend in scherven. Een gordijn vatte vlam en brandde lustig op.
Dronken-Nelis was de eenige onder de stakers die zich niet druk maakte en niet vocht. Hij vond al dat kabaal om zoon „douie leiuw” wel wat mal en lachte stiekum in zijn vuistje. Hij tuurde voortdurend naar het balcon der slaapkamer.
Daar werd zijn oog geboeid door een witte gedaante die voor de glazen deur verscheen. Ze schoof de gordijnen op zijde en keek angstig naar buiten. Groote vlammen speelden haar voor de oogen. Ze trok een deur open doch deinsde aanstonds terug, met een luiden gil.
Er kwam leven in Nelis’ stille figuur.
— Sai is ’t — sai is ’t — hellep — hellep!
Het geroep klonk zoo vreemd onder de strijders, dat er onwillekeurig van beide zijden werd gepauzeerd. De politie-agenten begrepen niet waarom de man temidden van zijn makkers om hulp krijschte.
Joop en Landers waren direct op hem afgekomen en staarden nu in de richting waarin hij keek.
— Zou ze dat zijn? Een eeuwig lief wijf, oordeelde Joop.
— Dat is ze — dat is ze beslist! antwoordde de ander.
Nelis werd achterdochtig.
— Wat mot je fan d’r? snauwde hij — 't is main
kalletje--’t is de foddesak--roak d’r ’s oan as
je lef het.
Ze lachten, ondanks den ernst van het oogenblik.
— Heb jij dat smoeltje wel eens meer gesien, Nelis? schertste de filosoof, maar verbaasd keek hij dan naar Nelis’ plotseling veranderd gezicht. Woede en haat flitsten in zijn benevelde oogen en hij balde de vuisten.
159