Meteên stormde hij naar den steiger aan den voorkant. Een kleine afdeeling agenten worstelde met de stakers om door te breken. Al vechtend floten zij om assistentie.
— Jonges, ’t goat beneide spanne, brulde hij. De klabakke
sain d’r al--d’r wordt geklopt____
Die woorden werkten electriseerend. De ranselaars snelden haastig naar den voorkant, zonder de groote mastiekkachels voorzichtig te mijden. Een viel er om; de heete, vloeiende mastiek liep in het vuur en aanstonds laaide een felle, rookerige vlam op. De wind joeg haar over het op dak liggende brandhout en het papier en naar de andere kachels.
— Brand, brand! schreeuwde Daan Kropsla. Kou, kom
noa beneide____!
Ko had het nu te kwaad met Douwe, die Smikkel’s partij had overgenomen. De stille jongen was echter niet tegen hem opgewassen en moest reeds duur boeten voor zijn handtastelijke bemiddeling.
De brandkreet deed hen opschrikken.
— Noa beneide, schreeuwde Ko.
— Vooruit Smikkel, maande Douwe hem.
— Och — loat moar — hier of beneide — ik mot d'r toch an ....
— Ik sta voor je in____
— Je het seiker weer iets fuils in den sin.
Douwe keek hem verslagen aan.
— Ik hou toch zoo zielsveel van haar, Smikkel — o —
als je maar--smeekte hij sentimenteel.
— De heile soude____sche rotkroam mot nou moar in
brand, joeg de-„poot” hen op. Loat die rotkast afbrande — hai is toch besmet.
Zij waren de laatsten, de anderen vluchtten al langs
157