Schele-Ko was regelrecht op Smikkel afgegaan en had hem bij de keel gegrepen. Dat pleizier had hij zich al lang beloofd.
Met een kopstoot deed hij hem op den grond tuimelen, maar toen ging Smikkel zich geducht verweren. Ze rolden om en om. Ko was wel sterker en leniger, maar Smikkel hield vast wat hij had en trachtte hem in een stevige omarming te knellen. Om hen heen ranselden de mannen onverstoord op de „ maf f erts” en die er geen te pakken konden krijgen scheurden woedend het gedekte papier van het hout en wierpen het bij flarden naar beneden.
Direct toen Douwe was boven gekomen had hij omgezien naar Smikkel. Hij wist schele-Ko’s toeleg en hoopte zich Smikkel's genegenheid opnieuw te verwerven, door hem bij te staan.
— Laat ’m los Ko — schreeuwde hij, op het rollend tweetal toeijlend.
— Hei — wat mot dat — is ’t je frindje — brulde de „poot" verontwaardigd.
— ’t Is een man op jaren____
— Dan mot-ie moar metein fan kant, brulde de „poot”
met galgenhumor, hai mot toch anders moar swoege f our den kost en se moats ferroaje____
— Joa — four die poar joar, voegde Daan er bij,
f’r-uit skeile — help 'm uit s’n laije____
Douwe wierp zich op den schele om dien van den vader zijner geliefde weg te sleuren. Dat vond de „poot” al te kras.
Met een vloek sprong hij op den jongen toe, doch op dat zelfde moment drong een eigenaardig geluid tot zijn gehoor door. Hij herkende de politie-fluit.
— Pelisie!
156