om uit te vinden waar het lijk van den leeuw was verstopt, dien hij had geworgd.
— Se sloapt, — se sloapt lekker dour, mompelde hij tevreden voor zich.
In het huis van zijn geliefde was nog geen raam bewogen. Hij bewaakte trouw dat, welk hij voor het venster van haar slaapkamer hield, om haar een kushand toe te werpen, zoodra zij zich zou vertoonen.
Met de provincie-mannen was gauw afgerekend; elk hunner kreeg zijn pak slaag, hoezeer zij ook poogden het van minuut tot minuut uit te stellen door om de kachels te draven. Een vluchtte naar omlaag. Daan wierp hem een rol papier na, die een steigerplank meesleurde. Beide kwamen met lawaai naar beneden, hetgeen een opwek-kenden invloed uitoefende op de bewakingscolonne. Meerderen wilden naar boven, vechten en vernielen, stukslaan en branden, om aan de woede door teleurstelling en ge-brek-lijden ontstaan, uiting te geven.
Landers en Joop hadden de grootste moeite hen tegen te houden.
— Wilt jelui soms de smerissen vrijen toegang geven? snauwde de eerste hen toe. Inderdaad kwam er al een agent op het hevig lawaai af. Nauwelijks had Landers hem gezien, of zijn vonnis was geveld. Vijf mannen besprongen hem letterlijk en sleurden hem het hokje van den wacht binnen, die genoegelijk snorkte.
— Misschien is d’rnog een druppie in de flesch, vroolijkte manke-Gerrit hem op.
— Anders sing jai moar de andere partai, hai het de contrabas, raadde Jan-komiek hem. Allo — sjeneir je niet sjenetje....
De agent tuimelde boven op den wacht.
155