Direct na „den-poot” volgden zijn gezellen, onder luid geschreeuw, wat aanstonds werd beantwoord door een hoera-gejuich der mannen, beneden.
Smikkel was een bedaard man, maar lang geen lafaard. Bij werkelijk gevaar, steeg zijn moed tot de hoogte van alle vrees-ontkenning. Hij had zich kalm teruggetrokken en wachtte nu, op een rol papier gezeten, zijn lot af.
Het roepen, beneden, kreeg den omvang van een orkaan. Men herkende de-poot niet meer; een ieder had verwacht dat het „mafferts” zou regenen.
— Hei — komt d’r hoast wat, joelden de jongeren onder hen.
— Ha die-„pout”! — soudemieter se noar omloag.
— Hei — kraige wailie niks?
Het gedruisch plantte zich voort, snel de straat door; ramen werden opgeschoven en bleeke gezichten lieten zich zien, die bibberend terugtrokken.
— Hier woont ze immers? fluisterde Landers tot Joop, wijzend op het huis van mevrouw Laerden. Het geheim van Hooglandt werd door wel driehonderd loodgieters bewaard.
— Als — hij er is, twijfelde Joop — verbeeld je —
— ’t Zou wel al te toevallig zijn____
Dronken-Nelis had nog niets gezegd, slechts voor zich
heen loopen mopperen. Het was hem niet goed duidelijk, waarom al die mannen met hem waren meegekomen. In het eerst had hij gedacht dat het was om hem te helpen de straatdeur van zijn „kalletje” te forceeren. Maar dat had hij niet lang geloofd, wijl hij dat best met één gezel had afgekund.
— ’t Is ’m om den leiuw te doen, mopperde hij toen. Hij veronderstelde nu dat men het huis wilde sloopen 154