jenever in zijn hokje opgesloten. Nu waren zij voorloopig de baas, berekende hij tevreden.
Men was compleet.
— Goane me? vroeg de-ijzeren-poot.
Landers weifelde even en zag de schare aan waarvan een elk scheen te branden van verlangen, de ladders op te snellen. Op dak vermoedde men niets. Geschuifel van voeten en geknars van het met kiezel bestrooid papier, deden hooren, dat de mannen druk aan het werk waren en niet het minste besef hadden van het gevaar dat hen bedreigde.
— Goane me nou — of ik doen ’t allein, herhaalde de-poot ongeduldig. As jai d’r niet had baigeweist, hadde se al beneide geleige.
— F’r uit Landers, hunkerde Smul — godferdomme
wat sal ik ’m ’n doffer geife____
— Nei moar — anders ik wel, beloofde schele-Ko.
— We zullen beginnen, Joop! kondigde Landers aan. Wie gaat naar boven?
— De heile bout! juichte Daan Kropsla, die niets van dat dralen begreep.
— Nee! zei Landers beslist, tien man, niet meer.
— ’t Is genogt....
— Moar ’t is toch feil goafer mit se alle____
— Geen man meer, drong Landers aan, geen man. Misschien hebben we binnen tien minuten, vijftig agenten op ons dak. De anderen formeeren een kring om de ladders — om ze tegen te houden tot____
— Tot ’t gebeurd is?
— Ja!
— Motte we se noa beneide loasere? vroeg de-poot eenvoudig.
152