haar eisch had gehad, vond hij het toch jammer dien interessanten tocht geheel te hebben verzuimd. Hij dacht er des te sterker aan, wijl zij nu slechts weinige minuten loopen van het werk waren verwijderd.
Hij kon niet nalaten, Chris er aan te herinneren. Deze bekende hem, er ook al aan te hebben gedacht.
— Wat heb je voor geheimen? wijsgeerde Bertha.
— Van hoogernstigen aard, verzekerde Leendert. Chris voegde er aan toe dat er leven en dood mee gemoeid ging, doch verklaarde zich bereid, tegen behoorlijke schadeloosstelling voor zijn geweten, Coba deelgenoote te maken.
Even later waren de jongelieden in die buurt, in druk gesprek gewikkeld. De meisjes wilden er heen, want zij stelden zich er veel van voor. Ze hadden in de krant gelezen van de bestorming in de Bilderdijkstraat en meenden, dat zoo iets bij nacht, „verrukkelijk” moest zijn.
— Uzig leuk, verzekerde Bertha.
De jongens wezen haar op mogelijk gevaar, doch daarvan wilden zij niets hooren. Ze geloofden niet aan boemannen, lachten ze. Toen gaven de jongens toe. —
Smul en Ranschoen hadden er dien dag niet bij neergezeten en een nacht-colonne gevormd die alleszins berekend was, ontzag in te boezemen. Ze hadden zich eerst overtuigd van de welwillende medewerking van den-ijzeren-poot en diens mannetjes. Bijna alle meeloopers van schele Ko’s knokploeg hadden eveneens hun instemming betuigd en waren trouw opgekomen. Beide ploegen vormden tezamen een tachtig man, maar nog was het Joop niet voldoende geweest. Hij had de meeste posters op hun wacht opgezocht en mede uitgenoodigd en de beste mannetjes gepikt uit de groote „rondploeg". Des avonds in de zaal telde men honderd vijftig man, de kern 150