— Zoo’n lief kind — — onschuldig, goed meisje.... Te moeten trouwen....
Douwe lag voorover te schreien; Joop wees den toesnellenden kelner met rustig handgebaar terug.
— Kom kom — — toon je een man, zei hij iets minder streng.
— Ik weet — het — wel, snikte de jongen — ik —
ben____ik — heb----
— Alles zal wel goed komen, trachtte Joop nu vriendelijk te doen.
— Hoe — kan — dat--ik — heb--alles--
tegen — — me — — en — iedereen. Jij — — jij hebt
— — natuurlijk — — geen — — achting--meer —
voor — — me — — en Mientje____
— Mientje —?
— Hoe — zou — ze — ooit____
— En ik zeg dat je je vermannen moet. Kom — wasch je gezicht af — en drink je koffie leeg.
Douwe geneerde zich nu — — droogde zijn tranen.
— Ik ken je — zei Joop nu trouwhartig — ik weet dat je innerlijk niet slecht bent Laten wij eens praten — met elkaar.
— Ik — heb er — zoo — over — getobd ---ik —
kon — niet — slapen.... Ik — heb — vandaag — nog niets — — gegeten.
— Wat vertel je me nou?
Joop wenkte den kelner.
148