iets zou aantrekken. Maar toch zal ik je maar alles zeggen.
— Zeg ’s ventje, zei Joop nu quasi-ongerust, je hebt toch hoop ik, geen armen drommel uitgekleed, ’t Is waar, ik ben vrijwel onverschillig, maar dat zou ik toch verschrikkelijk vinden.
— Nee — dat niet, zei Douwe met een bleeken lach,
maar het is toch minstens zoo erg. Ik heb misbruik van vertrouwen gemaakt — ik heb menschen die mij voor eerlijk hielden, willen bedriegen — — ik ben, fluisterde hij nu, in de slaapkamer geslopen van een lief onschuldig meisje dat iedereen moet hoogachten — om haar laag te behandelen — — om haar schandelijk te onteeren____
Douwe zweeg____Smikkel had hem den vorigen avond
zoovele malen voor de voeten gegooid dat hij een schurk was en dat hij opzettelijk in de alcoof was gegaan om zijn schandelijk voornemen ten uit voer te brengen, dat hij er zelf aan was gaan gelooven. Nu geloofde hij inderdaad dat hij zich door hartstocht had laten opzwiepen, Mientje in haar slaap te verrassen.
— Verdorie — verdorie — verdorie--je bent een
net heer; enfin je bent jong — dat verklaart veel, wat niet kan worden verontschuldigd, zei Joop langzaam en zwaar-ernstig. —
Maar enfin — ik zou maar zorgen dat Mientje er niets van te hooren kreeg.
De warme toon waarmee hij van Mientje sprak en zijn blijkbare overtuiging, dat zij het niet kon wezen, ontroerden Douwe diep. En zoo’n vriend moest hij nu in zijn achting voor hem teleurstellen.
— Ik moet het zeggen Joop — zei hij zacht, met afgewend gezicht — het was Mientje....
146