— Tabé!
— Aju! —
In de zaal liep Douwe, zenuwachtig heen en weer. Het hapje „Oldenkot" wat Frans-Pruimtabak hem hardnekkig bleef offreeren, wees hij beslist van de hand. Beleedigd riep de oude hem na, of zijn tabak ook niet „fain genogt” was voor mijnheer en kreeg daarmee de spotters aan zijn zijde. Tabak pruimen walgde Douwe.
Joop Ranschoen kwam regelrecht op hem aan.
— Moest je me hebben, Douwe? vroeg hij vriendelijk.
— Ja — ik had je willen spreken, antwoordde deze gejaagd.
— Vooruit dan maar.
Joop sleepte met zijn voet een stoel naar een leegstaand tafeltje en maakte beweging van rustig te willen gaan zitten.
— Nee — als je wilt — niet hier____
— ’t Is op straat rosig hoor.
— Laten we dan naar ’n café gaan.
Op straat bezag Joop stilzwijgend den tobbenden Douwe, die terneergeslagen naast hem liep. Een spotlachje omspeelde zijn mond en hij schudde half meewarig het hoofd.
— Ik ben een nietswaardig mensch, Joop, zei de jongen eindelijk, half luid.
— Heb je je dan laten taxeeren? schertste de filosoof.
— Als ik alles gezegd heb zal je misschien geen gekheid meer met me maken.
Misschien zal je me eenvoudig uit den weg gaan, of me diep verachten.
— Kom, kom!
— Nee — werkelijk. Jij bent geloof ik de eenige vakgenoot, ik mag wel zeggen vriend, van wien ik me zoo
De gezellige staking. II. 10 145