kan doen. En wie weet hoe lang, hoe kort de federatie zal kunnen blijven steunen....
.— Landers — zeg eirlijk wat je op de tong ligt--
zei een bedaard man, die anders nooit zijn mond opende dan om er een pruim tabak in te duwen.
— Wacht — ik ben nog niet uitgepraat. Scholte, Hende-laar, Koren, Buskoop en nog wel vijf anderen zien hun werk geregeld afmaken, zonder dat wij in staat zijn ze behoorlijk te behandelen. Niet éen karwei dat van begin af gewerkt heeft, konden we volkomen stilleggen. Nu het zoo eenmaal is moeten we eerlijk bekennen dat we machteloos waren om den strijd over de gansche linie, naar behooren te voeren en te beheerschen. Er zit nog te veel kaf onder het koren.
Allen schudden ernstig-toestemmend het hoofd. Een ieder rekende zich zelf tot het koren en de meesten der anderen tot het kaf.
— Daar heb je dien Smikkel____
— Die smuigerd....
— Die feimeloar____
— We konden hem tot nu toe niet beletten te werken. Hij deed te geheimzinnig. Nu het eenmaal te laat is — weet ik waar hij werkt.
— Woar?
— Op een villa in de Potterstraat. Maar wat geeft het — we moeten den boel toch opheffen.
— Ik sou ’m godsalme-godgloeiend — — toch eirst
wel’s op se foalie wille komme____Is dat ’n keirel--
laikt wel ’n waif.
— En den boel voor goed verpesten....
— Nei — nog’s den schrik d’r in joage — — dat de boase weite dat ’t gein terugkrabbele fan ons is, moar
143