o — wat 'n
smoesd dat ik besoupe bin en nou — o — fuilak____
Vrouw Smikkel had zich tot aan het raam teruggetrokken. Ze kende Douwe en Mientje beter dan haar man.
— Wat ’n schoremerd, jankte Smikkel, die al schreeu
wend trachtte nuchter te worden, komp hier mit ’n laster-proatje noa boufe, om me kind ongelukkig te moake____
Mientje was in bed gekropen en lag onder de dekens te schaterlachen, zoodat het geluid tot in de kamer doordrong. Smikkel hoorde het, maar was nog niet voldoende bij zinnen om het goed te onderscheiden.
— Ik gelouf — dat jai loaserus bint — jai — jai — mit je hailige trounie. Hour dat kind ligge snikke fan ’t huile — dat se fertrouwe in je het gesteld — gemeine suiplap — jeneiferfat —.
Douwe, doodsbleek en bevend over heel zijn lichaam, stond tegen de tafel geleund. Telkens opende hij den mond om zich te verdedigen, maar hij kon van schrik niet spreken. Hij zelf vond zich ook laag en gemeen en in zijn hart gaf hij Smikkel gelijk, dat hij een schurk was die moest worden gevierendeeld. De kussen die hij op Mientje’s mond had gedrukt, namen voor zijn geestesoog groote bezwarende gedaanten aan, als waren zij nog slechts de voorgangers geweest van veel schrikwekkender gebeuren.
— Dat — is — dus — soucioal--nou — weit —
ik — wat — soucioal — is, zei Smikkel, elk woord met nadruk uitstootend. Sou — ci — oal.
Stom-loaserus-suipe — en leugens fertelle fan fesoen-delijke huisfoaders en in de alcouf te sluipe om z’n luste, se loage, fuile, gemeine luste bot te fiere — op een rain
en onskuldig maisie — een kind----Weitje wat ’t is —
135