Zonder op of om te zien sloeg hij de deur achter zich dicht. Nu hoorde hij een zacht gicheltje en opziend, vloog hem het bloed naar het hoofd.
Mientje stond in haar nachtpon in de alcoof, leunend tegen haar ledikant. Haar dik blond haar, hing in zware golvingen om haar door-gezond, fleurig gezicht, waarin de levenslustige oogen vroolijk lachten. Haar nachtpon liet haar blanken hals en bovenborst zien, welk gezicht Douwe deed bedwelmen van plotseling opstijgenden hartstocht.
Daar stond ze nu voor hem in haar frissche jonkheid; hij en zij alleen. Haar ouders schenen niet te weten waar hij was gebleven. Zij was niet bang, niets verlegen; ze lachte als altijd.
Dat zette hem op, snel opkomende gedachten verdrongen zich in zijn hoofd. Ze stond daar, of ze heel niet bang voor hem was, of het heel niet vreemd was dat hij plotseling in de alcoof kwam. Het scheen dat ze er blij om was, zoo zorgeloos lachte ze. Als hij nu eens moed had en een kus gaf, op dien heerlijken mond....
Zijn oogen gloeiden van hartstocht, hij kon haast geen adem halen door den liefdeszwijmel, die hem geheel bevangen had. Als instinctief deed hij een stap naar de deur om te vluchten, maar hij kon niet. Het volgende oogen-blik hield hij Mientje stijf in de armen geklemd en zoende hij haar, zoende hij haar mond en hals, alsof hij haar wilde doen stikken.
Daar werd de deur open geslingerd.
— Godfergeite kwoajonge, gilde Smikkel. Hij greep den verliefden jongeling in den nek en slingerde hem de kamer in.
Fuile gemeine schouier — oartsbandiet — bi je doar-four bai me waif gekomme — — hai je d’r eirst inge-134