— Joa — de heir weit wat — ’t is sou’n boefetuig.
Dit sloeg op de stakers, begreep Douwe en het ontging
hem niet dat het dan noodwendig ook op hem moest zijn bedoeld. Hij wist echter wel, dat ze hem geen kwaad hart toedroeg en zijn goedaardigheid deed hem direct deelen in haar ongerustheid.
— Ik begrijp ’t ook niet — ik kan me niet indenken waar hij kan zijn.
— Weit je dan niet, of se fandoag wat mit 'm fan
plan woare? Komp je dan niet op de fergoaderinge____?
— Een enkele keer. Maar ze weten toch niet waar hij werkt — want dan had ik het wel weer van een ander gehoord.
— Se binne in stoat ’m te fermoure, huilde vrouw
Smikkel half. Allemoal follek dat an god noch gebod doet, dat swelligt in niks-doen, dat d’rlui frouwe en kindere loat ferhongere____
Ze bleef jammeren, hoezeer Douwe probeerde haar troost in te spreken. Hoe later het werd, des te angstiger zij zich ging voelen. Nog nooit was Smikkel zoo laat thuis-gekomen en nu, in zoo’n tijd____
Af en toe spiedde zijn blik de kamer rond, of hij ook iets zag wat hem aan Mientje herinnerde. Een rok die aan de kruk van een deur hing, trok zijn aandacht voor een oogenblik, doch aanstonds herinnerde hij zich, hem dikwijls om de lendenen van vrouw Smikkel te hebben gezien.
Mientje sliep niet. Naast de deur die naar buiten leidde, gaf een met matglas, toegang tot de alcoof. Nu en dan, kwam het meisje uit haar bed en gluurde dan door een klein doorzichtig plekje in het matglas.
Kort bij twaalven werden ze opgeschrikt door een
131