— Hai je ’m sou ferkocht — ?
Smikkel beefde over zijn heele lichaam. Zou men dan nog erger dan den dood met hem voorhebben, flitste door zijn brein.
— Joa — — stamelde hij.
— Dus — je het ’m niet eirst geslacht en gefild____?
Hein kon niet meer antwoorden, hij voelde zijn hart
niet meer kloppen. Hij bewoog den mond maar kon geen geluid geven en op een herhaling van Nelis’ vraag, schudde hij afwerend met de hand.
Nelis bekeek hem belangstellend en schudde afkeurend het hoofd.
— 't Kwoaje geweite, niks as ’t kwoaje geweite----
Wat mot-ie ouk sou’n stumpert fan een leiuw fille en
ferpatse____ Enne — — het dier was nog wel sou an
me gehecht.... ’t Most me altaid likke — altaid____Ik
sal d’r nog--wat troane om loate--sou’n kallef
fan een leiuw____Die foddesak is d’r heilemoal onderste
boufe fan.
Joa — je bint me toch een ouwe doudkist--schoam
je wat — je most allang kepot sain. Goan we d’r hoast eintje koupe — of mot ik je de kroeg in sleure____?
Hein kreeg weer hoop--misschien was Nelis toch
niet schadelijk tot den dood. Een opzettelijke moordenaar zou niet zoo hartelijk naar een bittertje kunnen verlangen, meende hij.
Ze gingen onder Nelis’ leiding de eerste kroeg die ze langs kwamen, binnen.
Ze klonken en Nelis dronk zijn glaasje in één teug leeg. Smikkel’s hand beefde zoo zeer dat hij morste.
— Pas op — ’t is sonde, waarschuwde Nelis. Ferrek —
wat mot die hier____
120