luid en zachter voegde hij er aan toe: — Hou je gedekt, Heintje — je loupt in de smiese.
Hein schrok geweldig en liet zijn tasch vallen. Hij keek Nelis vluchtig in het gezicht en wilde het op een loopen zetten.
— Jonge, weis foursichtig, tippel niet, je loupt teige de lamp, mompelde Nelis fantastisch en nam de tasch op.
Hein schrok nog erger dan tevoren en bleef staan, als plotseling bevroren. Hij wist dat de knokploeg geen kinderwerk verrichtte en na het gevecht van den-poot met Groot, hetwelk voor den laatste zoo tragisch was geëindigd, geloofde hij zijn leven geen dag meer zeker. Scholte had hem voorgeslagen als „mijnheer” naar zijn werk en naar huis te gaan en hij had dat aanvaard omdat het oude spulletje nog wel eens te pas kon komen voor zijn jongen. Zelfs had hij in de illusie geloofd dat men in den „mijnheer” den loodgieter Smikkel niet zou herkennen.
Dronken-Nelis’ overrompelend optreden had die fantasie in rook doen opgaan en nu verwachtte hij meer dan ooit, een duchtige rammeling van zijn verontwaardigde makkers. Het raadzaamst docht hem, te trachten althans Nelis tot vriend te houden.
— Bi-je allein? vroeg hij toen hij een beetje was bijgekomen.
— Hou je bek nou dicht — tot we se fourbai binne, waarschuwde Nelis met schorre fluisterstem.
— Sain d’r feil? vroeg Smikkel nu terdege beangst.
— Weit ik 't. ’l Binne allemoal stille — moar die sain
nog ’s sou fuil — dat weit je____
Hij kon daar niet uit wijs worden, doch zweeg liever dan geluid te geven wat de aandacht zou kunnen trekken.
117