— Dat vind ik ook____
— Ik neim 'm mit een zacht laintje mei____
— Ja — ja!
— En dan moak ik ’m loaserus.
— A-bah — ajakkus____!
— Joa — four s’n aige sente____
— O — o — ja dat verandert____
— Nou neim — ik de kuierlatte — ouwe beddeplank — geef d’r een soen four me.... aju!
Nelis stond met een goeden zin op en ging heen met een air alsof hij als -kind in huis hoorde.
— Doe de deur niet sou — hard achter me dicht, waar
schuwde hij, anders wordt se wakker — en dan sit ik d’r mei____
— Of d'r tanden vallen van den schok uit haar mond.
Nelis keek den spotvogel verachtelijk aan.
— Hou je bek — moagere korteling. As se d’r tande
wil verliese — sal se 't jou niet froage. Neim een — four-beild — hier — oan dat oud fernuiskachel, wees hij op Stien. Niks segge — moar d’r thei was goed — ’k had al sou lief een kruiebittertje gehad____
Het was bijna half vijf en nagenoeg donker op straat. Wel brandden nog op alle verdiepingen van het nieuwe werk de petroleumlampen der timmerlieden, maar geluid van den arbeid drong niet meer naar buiten. Slechts een doffe slag, als van hout op metaal, roffelde nog naar omlaag, plantte zich voort tot Nelis, die geduldig stond te wachten. Dat geluid was hem gemeenzaam; Smikkel stond zink te verwerken, vertelde het hem.
Nog een oogenblik, toen liep het karwei leeg. In troepjes van twee en van drie passeerden de werklieden hem. Sommigen groetten hem kort, als meenden ze hem te
115