bij haar zou komen. Zijn „kalletje" verlangde natuurlijk naar hem, was hem opeens duidelijk; misschien had ze wel een beetje onrustig gedroomd en moest hij haar komen kalmeeren.
Stien wenkte hem nog eens met meer drang en nu kwam hij op haar toe. Zij had nu werkelijk medelijden met hem, zooals hij daar met zijn erbarmelijke schoenen in de koude, natte sneeuw stond. Misschien moest hij wel bij dat nieuwe werk posten, veronderstelde zij.
Mevrouw was uit en zou in het eerste uur niet terug komen. Ze kon hem best een warm kop thee inschenken, dacht ze goedhartig.
— Koud hè baas, ving ze aan.
— Had dan de kachel four d’r gestoukt.
Op die wending was ze niet verdacht. Eva die achter haar stond gichelde zachtjes en trok aan haar rok om haar aan het lachen te brengen. Maar ze beet op haar lip en trachtte ernstig te blijven. Ja — ze voelde wel — ze had iets goed te maken bij dien armen tobber.
— U zal wel trek hebben in een warm kop thee, baas, zei ze vriendelijk.
— Joa dat roa-je goed. Eirst thei — dan kanne we nog altaid kaike of d’r wat in de flesch sit. Sloapt-se?
— Wie?
— Die ouwe foddesak.
Eva schoot in een lach en snelde de gang door.
— Woar gaat die op eins noa toe? Laat se nou gein
spats moake — want dan legt se d'r sou uit. As ik de ouwe sien sal — ’k — eins----
— Ze zet vast thee — kom even in de keuken, baas, kalmeerde Stien hem.
Nelis dronk kop op kop, welke Stien hem gewilig in-
De gezellige staking II. 8. 113