misschien wel af te troggelen. Maar zij was niet van Smikkel gediend en hij, Nelis, zou wel een stokje gaan steken voor die „oaperai”.
Het was omstreeks vier uur in den middag toen hij in de Paulus Potterstraat arriveerde. Zijn verdronken brein belette hem niet te beseffen, dat hij nog wel een half uur zou moeten wachten, alvorens het karwei zou afloopen. Hij keek rond naar een steen of een stuk balk om zijn gemak te kunnen nemen.
Daar viel al rondziend, zijn blik op Stien, die aan haar deur stond. Ze scheen een boodschap te hebben aangenomen en keek den brenger even na.
Nu zag ze hem ook — en glimlachte. Zijn voorkomen dat nu weer dragelijk was, wijl de dag geen avonturen had opgeleverd, deed er het zijne toe, haar hart vriendelijk voor hem te stemmen.
Eigenlijk was ze een heel goedaardige meid, die altijd veel over had voor werklieden, die in huis bezigheden kwamen verrichten. Haar zin voor vroolijkheid had haar er toe gedreven, enkel het lachwekkende te zien in de avonturen, die Nelis’ passie voor haar mevrouw, daar hield zij zijn drank-visioen voor, hem deden ontmoeten en ze had van harte geschaterd toen Eva haar emmer boven zijn hoofd omkeerde. Maar later hadden zij en ook Eva spijt gevoeld, dat ze zoon armen slokker, zooals ze hem noemden, zoo onheusch hadden behandeld.
Eerst keek Nelis vreemd op van haar vriendelijken lach, maar direct daarop kwam het hem heel gewoon voor. Die meiden wisten natuurlijk wel tegen wien ze vriendelijk moesten doen om bij haar mevrouw in den pas te komen, dacht hij met trots.
Nu knikte ze hem weer toe en wenkte hem dat hij 112