— Of-ie suipe kon, dat loeder, glunderde hij teeder,
of-ie suipe kon____Niet sou as ik — nei — niet sou as
ik — moar bainoa — bainoa....
Hai kon d’r mei terecht — de smakkerd....
Soms hield hij stil en keek dan achter zich. Maar hij zag niemand die hem naging — dus vervolgde hij zijn weg, vergenoegd met zichzelf pratend.
— Of — die nou een poar graipstuivers bai sich het--
sal wel — mot wel.... ’t Is moar geleind — mot-ie denke — — een andere keir ik eins____
Nauwelijks had hij op vergadering begrepen dat hij wist waar de gezochte Smikkel werkte, of hij had het plan gemaakt zich door hem eens flink te doen schadeloos stellen, voor de ontberingen, die hij de heele staking door, had moeten dragen.
Geen oogenblik was het bij hem opgekomen, uit te roepen dat hij wist waar de „maffert" werkte. Allereerst had hij een ingeroeste haat tegen aanbrengen en al wat daarmede verband hield en dan wilde hij liever eens heel in zijn eentje Smikkel naar huis brengen. Dat dacht hem veel pleizieriger dan in gezelschap van de knokploeg.
Onderweg verloor zijn geest weer iets van zijn plotselinge helderheid en kreeg zijn plan allengs flauwere omtrekken. Zijn „kalletje”, zijn avonturen, de leeuwenjacht en zijn overwinningen gingen hem weer parten spelen. Allengs ging het in hem denken, dat hij in opdracht van zijn liefje handelde en dat zij hem bevolen had, den vijand af te halen en dronken te maken, om hem zijn schelmenstreken eens terdege in te peperen. Dat werken van Smikkel aan die nieuwe villa, vond hij maar larie. Natuurlijk was die oude smakkerd op het werk in de Potterstraat, om een ander zijn „kalletje” te beloeren en
111