XIX.
DE HUID VAN DEN LEEUW.
Nelis nam op straat direct den tred aan van iemand, die op een bepaald doel afgaat. Op de trap had hij zijn pijpje aangestoken en het smaakte hem uitstekend. Hij voelde zich zóó lekker met zijn plannetje, wat hem inde zaal was ingevallen, dat hij af en toe de handen vergenoegd in elkaar wreef.
Een paar straten verder matigde hij zijn gang, stelde zich verdekt op in een portiek en keek achter zich. Hij kende zijn makkers en was er niet heel zeker van dat ze hem geen post hadden achterna gezonden om te onderzoeken waarheen hij zoo onverwachts ging. Maar geen bekend gezicht dook op voor zijn spiedende blikken. Hij gromde tevreden en ging verder.
Landers’ woord aan Smikkel gewijd was hem als een openbaring geweest. Nu wist hij, wiens hoofd hij heel even had zien opduiken op den steiger in de Potterstraat. Het was Smikkel geweest, Smikkel en niemand anders, herhaalde hij telkens in gedachte.
Met Smikkel had hij in vroeger jaren veel aan dezelfde winkels gewerkt en menig gezellig zaterdagavondje hadden zij samen rondgeboemeld, alvorens ze het overschot van hun weekloontje naar de vrouw brachten.
110