— Dat weet jij toch ook wel. Hij mag me wel lijden, maar Mientje zegt, hij sprak er zoo dikwijls over dat ik zoo rood ben.
— Maak hem dan ook rood.
— Heb ik al gedacht, maar bij dien kerel is geen beginnen aan.
— Dan wor-je zelf maar zwart, net als hij.
— Meen je dat? Jij zal zoo iets zeggen?
— Het doel heiligt de middelen.
— Het doel____?
Joop stond stil en keek hem vlak in de oogen.
— Ben jij nu een man? Zoek je weg — stap over de hinderpalen heen.
— Maar hoe?
— Laten we in de „kersepit" verder kletsen — ik heb dorst gekregen.
— En ik anders wel. Jij bent toch een raar type — zeg.
— Vin-je ?
109