— Ha! riep Joop zegevierend, als had hij eindelijk den knoop ontdekt. Mientje in het spel.
— Ja — Mientje! herhaalde Douwe teeder, maar wat geeft het. Eerst was ik er van overtuigd, dat ze niet aan me denkt, dat ik haar volkomen onverschillig ben....
— En nou heb je stormenderhand haar hart veroverd____
— Niet — stormenderhand, wijfelde de jongen.
Joop moest zich bedwingen om niet in een schaterlach
uit te barsten.
— Dus — je bent zeker nog al eens bij haar geweest en je hebt er mij niets van gezegd, dreigde hij gekscheerend.
Douwe kleurde als een schooljongen.
— Een enkele keer maar, verontschuldigde hij zich.
— Ga je gang maar ventje, gekscheerde Joop knip-oogend, ik heb je in de smiezen. Jongen, als ik niet getrouwd was en een jaar of tien jonger.... Jeugd heeft toch maar de voorkeur. Maar, ronduit verteld — houdt ze nu van je?
— Ze zegt het niet, zei Douwe bedeesd maar....
— Ja, ik snap het verdraaid goed. Ze lacht en ze bloost en als ze een hand geeft trekt ze haar niet terug: kerel zeg me maar niets. Ik feliciteer je, je hebt een lot uit de loterij.
— Ik? Ja — als die verrekte Smikkel d’r niet tusschen zat.
— Die? Weet die er dan wat van?
— Of-ie er van weet kan me niet schelen. Ik denk van niet. Maar zij zegt, hij vindt het nooit goed — nooit....
— Kom kom, den kop op. Zij houdt van je, dat is het voornaamste....
— Maar zonder haar vader mag ze niets en wil ze
ook niet____
— Waarom niet?
108