— Hai het dat smoel meir gesien, seit-ie! schreeuwden de jongens door de zaal.
— Wat nou____?
— Hai — het dat smoel — meir — gesien, brulde en gilde het nu van alle kanten.
— Jai ken ’m ouk! riep Nelis ter verduidelijking.
Hansen dacht dat het een insinuatie gold, die op hem
sloeg en werd bleek. Jaren geleden had hij eens een nacht bij het vrouwtje van een timmerman in Haarlem geslapen, toen hij op een propaganda-tourneé was en haar man voor eenige dagen van huis moest. Het was lang geleden en de gezichten van man en vrouw zou hij zich niet meer hebben kunnen voorstellen, doch wel bracht elk verdacht gezegde hem aan het schrikken. Meer om zijn reputatie dan van angst.
— En daarmee heb ik gezegd, besloot hij. Ik moét direct weg, Landers.
— Kameraden! stond deze op, kameraad Hansen gaat heen — we danken hem voor zijn propaganda-rede. Voordat we nu het verdere van den middag in gezellig samenzijn gaan doorbrengen, wil ik jelui nog eens terdege op het hart drukken, morgen met het aanbreken van den dag, opgefrischt en vol moed weer aan den strijd te gaan.
Mannen, is het eigenlijk geen schande voor ons — dat we ons zoolang laten sarren en laten den boel verpesten door een handje vol mafferts____
— Knoere — dat soutje, schreeuwde de-ijzeren-poot.
— En — ik moet het zeggen — is het niet belachelijk dat we niet eens kunnen uitvisschen, waar de vuilste verraders werken. Daar heb je die Hein Smikkel — die smuigerd — die loopt d’r nu al wekenlang door heen. — Is het nou zoon reuzenmoeite, uit te snuffelen waar die
105