druppen, den gootsteen verstoppen, het dak lekken en het behangselpapier de meest schreeuwende kleuren aannemen.
Dronken-Nelis verveelde zich danig. Hij was in de laatste dagen niet meer naar de Paulus Potterstaat geweest maar had geteerd op het vermeend genot dat hij den laatsten keer bij zijn „kalletje” had gesmaakt. De afsnauwing van Stien, had zich in zijn versuft brein omgezet in een plechtige ontvangst en begeleiding naar het salon. Iemand had hem begoten, herinnerde hij zich, dus moet „zij” dat wel zijn geweest; het kon niet anders of ze had hem met een „reukwatertje” opgefrischt.
Hansen hinderde en verveelde hem. Er was iets voor zijn geest blijven zweven dat nog vluchtiger gedaante had, dan al zijn andere waan-voorstellingen. Nu eens betrof het een gevecht met een leeuw, dan weer een worsteling met een man terwille van zijn dame. Dien man kende hij, hij had zijn smoel meer gezien, maar waar dan toch? Of hij nu zijn kalletje had beleedigd, of dat hij aan den staart van haar leeuw had getrokken, wist hij zich niet duidelijk meer te herinneren, maar zij had hem opgedragen, dien vent te zoeken.
— Ik heb dat smoel meir gesien, mopperde hij, wrevelig dat Hansen telkens zijn berekeningen in de war stuurde met dat verhuisboeltje.
— Wat seg je Nelis? moedigden eenige veelbelovende jongens hem aan.
— Ik heb dat smoel meir gesien! brulde hij nu overluid.
— Ha die Neilis! juichten hem de jongens toe.
— Wat seg je kameroad? riep Hansen, denkend dat hem om nadere uiteenzetting werd gevraagd van een onderdeel zijner vergelijking.
104