De kaaskop zat naast Henk-de-mop te mopperen over diens laatsten patroon. Hij vond dat Henk achteruitging omdat hij verzuimd had, Plaat een rammeling te geven.
— Of-ie doarom d’r an is te kort geskoute, den loatste taid, weerde deze dat verwijt af.
— Moar toch niet fan jou.
— Hai het me toch gein gedoan gegeife.
— Nog feil erger, hitste Frits op, nog feil erger. Hai loat je hongerlaie four een paar sente meir....
— En jai dan....
— Ik heb ’t nou oufer jou.
— Dat is sou.
— Nou wat doe je nou?
— As ik ’m sien.
— Kan wel soulang dure.
— Ik kan 'm toch godferdomme niet hierhein hoale.
— Je kan ’r soulang een ander four neime. Ik find dat die Hansen wel wat fan ’m weg heift.
— Nou — wat sou dat?
— ’t Kan wel s’n broer sain____
— Je bint besjoege....
— Jai hebt den beiferd----
— Seiker four jou — nou — an me nouit niet.
— Four main? haalde Frits verachtelijk de schouders op, ik sou me nou as ’n kind loate ransele dour den klainste jonge — — ik moak gein heibel onder stoa-kers....
Hansen bemerkte wel geroezemoes onder zijn gehoor, maar weet dat aan het betuigen van instemming met zijn vergelijkingen. In plaats van te ontmoedigen, vuurde het hem aan ze nog wat door te trekken en nu liet hij den schoorsteen rooken, de ramen klepperen, de kraan
103