Met kleine pasjes bracht hij het tusschen hen tot toenadering.
Eén keer waagde hij het, Nelis van uit de verte een groet toe te zenden, maar maakte direct daarop rechtsomkeert. Een uur lang was hij van bewondering voor zichzelf vervuld om dit staaltje van moed. Hij toch kon zich geen natuur denken, die over een behandeling als Nelis had ondervonden, niet wekenlang zou wrokken en er niet naar zou hunkeren, haar op een ander te verhalen, onverschillig of die er schuldig aan was of niet. Hij had op zijn minst verwacht, dat Nelis hem, op zijn guitig knikje, een stoel naar het hoofd zou slingeren. Dat gebeurde echter niet. Nelis knikte slechts heel even weemoedig terug en verzekerde daarna aan Joop Ranschoen, die bij hem zat, dat „hai hem ouk kent”.
Joop was met den mop zoo goed bekend als ieder ander, doch maakte er weinig gebruik van. Innerlijk tobde hij een beetje over Mientje die, trots zij nu zekerheid had dat ze zwanger was, nog steeds Douwe en zijn onbestemde aanzoeken van zich afhield. En Douwe was den laatsten tijd schier niet te genaken. Hij liep rond met een gezicht als een onweersbui en zijn wangen en oogen vertoonden dikwijls kenmerken van groote plasregens.
Een dag later deed Nico stoutmoediger. Hij ging nu vlak langs Nelis en mompelde stil voor zich uit:
— Ik heb dat smoel meir gesien!
Nelis reageerde, tegen zijn gewoonte hier niet op met zijn „jai ken hem ouk" hetwelk Nico een beetje verontrustte. Hij drentelde verder en keek bij de deur nog eens om naar den „dronke”. Het verraste hem dat Nelis niet zoo suf keek als anders en hem met den blik tot een praatje scheen uit te noodigen. Hij wenkte terug alsof hij haast
91