had en liep daarop stil vergenoegd de straat op. Nu had hij zekerheid dat niet zijn gezicht, den door Nelis gezochten „smoel” was en dat hij ook geen wraakplannen ten zijnen opzichte koesterde.
Toen ze elkaar den volgenden keer zagen, zette Nico zich direct naast zijn verliefden makker. Deze zuchtte eenige keeren en toen zuchtte hij voor den vorm mee.
— Weit je al — wie ’t is Nelis? vroeg hij na een korte stilte.
Nelis schudde ontkennend het hoofd.
— Jai ken ’m ouk.
Nico wist niet wat hij moest zeggen en zette maar bij voorbaat een erg leep gezicht. Dan viel hem iets in en besloot hij alles te wagen.
— Sie je hoar nou gereigeld —eiken dag, Neilis ? vroeg hij met de hand aan zijn stoel en het oog op de deur gericht, gereed om op te springen en te vluchten.
Maar Nelis maakte niet de minste verdachte beweging. Hij deed eerst eenige halen aan zijn pijp voor hij haar uit den mond nam om te antwoorden.
— Nei — dat niet — Gistere — was — se — niet — thuis.
Nico knikte wijsgeerig.
— Se het anders wel mollige knietjes — vin-je niet? waagde hij op groot lef. Nei — nei — ik denk het sou moar, voegde hij er haastig aan toe, toen Nelis hem dreigend aankeek.
— Ik — dacht — moar. Je weit — jai — mag — d’r--
gein eins noa kaike____Weis moar — niet — bang--
ik freit — je — niet — op.
— Nelis — —? vroeg hij na een poosje.
— Wa’ is ’t jong, antwoordde de ander vriendelijk.
Nico herkreeg zijn ouden moed.
92