Het praatje werd nu algemeen. Allen zeiden het Nelis na en iedereen wist direct welk antwoord er op moest worden gegeven. De mop ging als een loopend vuurtje door de kringen der stakers. Als er vergadering werd houden kon niet een opstaan om iets in het midden te brengen of er joelde iemand luid:
— Ik heb dat smoel meir gesien! Waarop dan een troepje in koor uitviel:
— Jai ken ’m ouk.
Menigeen tegen wien het voor het eerst werd gezegd, voelde zich ernstig beleedigd, doch nauwelijks was hem de toedracht der zaak verteld of hij lachte terdege mee en hielp dra den mop verder verspreiden.
De uitdrukking kwam vooral den posters uitstekend van pas. Zij die voor een winkel de wacht hielden zeiden haar onderscheidene malen per dag tegen een ieder die den winkel in- of uitging. Menig patroon had het woord al herhaaldelijk opgevangen en speciaal op zichzelven bedoeld gedacht. Het maakte meer effect op hen, dan maanden van posten hadden bereikt. Wanneer zij, hun winkel uitkomend, den mond van een staker zagen bewegen om het gevreesde woord te zeggeu, dan verhaastten zij hun pas, om gauw buiten gehoor te zijn. Vluchten gaf hen evenwel niets, zelfs niet als zij het op een loopen zetten. De jonge stakers waren beter met hardloopen vertrouwd dan hun patroons en zelfs als deze op de tram sprongen om hen te ontgaan, dan holden zij er nog naast, om hijgend te schreeuwen:
— Ik heb dat smoel meir gesien — ik heb dat smoel meir gesien!
Nelis was zich er niet van bewust dat hij zijn kameraden zoon gezellige afleiding had geschonken. Weliswaar
89