los, twee mannen hielden hem losjes tegen en een derde gaf hem een hevigen schop tegen zijn zitvlak. Nelis kon zijn vaart niet temperen en viel voorover, met zijn neus in de sneeuw —. Hij stond op en ging kalm wêer binnen.
In de zaal was het spoedig oud nieuws. Anders weinig spraakzaam, hield hij nu iedereen aan, om dan te zeggen:
— Ik heb dat smoel meir gesien.
Men lette er niet op en liet hem maar glimlachend gaan. Toen hij echter de ronde had gedaan, bleef hij staan en keek naar de deur. Er was intusschen geen nieuwe binnengekomen en de deur bleef in rust. Toen ging hij weer de rij af, met zijn praatje.
De meesten gaven hem geen aandacht of knoopten een gesprek met een ander aan. Doch één die pas ruzie had gehad met zijn vrouw of wien de staking begon te vervelen werd door Nelis’ kletspraat geprikkeld en meende, dat die speciaal op hem was bedoeld.
— Wat mot je god-sa-je eiuwig, mit je smoel — smoel, schreeuwde de driftkop luid. Mot je main hebbe. Suip je moar liever niet ’t loaserus, da’s beiter dan al die ouwe hoerderai.
— Ik heb dat smoel meir gesien, hield Nelis hamekkig vol.
— Smoel — smoel — jai het toch seiker net soufeul smoel as ik — sou ik segge —. Wat let me, je op jouw smoel te timmere.
Er kwamen eenige jongelieden tusschen in, die trachtten den driftkop tot bedaren te brengen.
— Wat moet je dan toch met dat gesmoel? vroeg een nette jonge man.
— Jai ken 'm ouk.
Op dat woord vloog de driftkop uit de handen zijner vrienden en zou op Nelis zijn afgesprongen, als Frits
87