die was, met hem in zijn bek, int het raam gesprongen. Op straat had Nelis den leeuw spoedig geworgd, maar toen hadden twee mannen hem voor moordenaar gescholden en in een kalkkuip onder gedompeld. De eene man was hem geheel onbekend, doch het gezicht van den ander, meende hij daarvóór reeds te hebben gezien.
— Ik heb dat smoel meir gesien, zei hij dien morgen en dat gezegde bleef hem dagenlang bij.
— Hai je ’m ferdourie nog stoan, vroeg zijn vrouw geërgerd, doch hij gaf geen letting op haar boosheid en zei berustend:
— Jai ken ’m ouk.
Ze was juist bezig hun jongste zoontje te kleeden. Zij trok den schoen die het reeds aan den voet had, weer uit en smeet dien naar Nelis’ hoofd. Deze bukte en de schoen vloog tegen een muurbordje aan, dat in scherven op den vloer viel.
Nelis haalde de schouders op en sneed een stuk brood af. Even later ging hij de deur uit, voorzichtig mompelend :
— Ik heb dat smoel meir gesien!
Het woord verliet hem niet meer. Hij zei het tegen iederen staker dien hij ontmoette en als iemand dan opheldering vroeg, luidde zijn antwoord onveranderlijk:
— Jai ken ’m ouk!
Zoolang hij kennissen ontmoette had dat gezegde geen ernstige gevolgen. Men kende hem algemeen als dronken-Nelis en het zou zijn makkers sterk hebben verontrust, als zij hem gezonde taal hadden hooren spreken. Weldra echter betooverde de bekooring van dat woord hem zoodanig, dat hij het tegen een ieder zei, die hij ontmoette. Hij hield stil bij kleedjes-kloppende dienstmeisjes en fluisterde haar sentimenteel in het oor:
84