XVII
„IK HEB DAT SMOEL MEER GEZIEN...”
Toen Nelis den ochtend na zijn liefdesavonturen wakker werd, voelde hij de gebeurtenissen van den vorigen dag in zijn hoofd dooreen wriemelen, doch hoe zeer hij ook poogde, hij kon de gedachten niet in regelmaat zetten. Hij herinnerde zich eenigszins dat hij Nico naar zijn „kalletje” had gestuurd met pisangs en een bouquet, doch al de andere herinneringen waren in zijn verdronken brein tot een gewirwar geworden waaruit hij niet kon wijs worden.
Hij meende zijn schat in de armen van een ander te hebben betrapt en die was toen het nieuwe werk op gevlucht. Nelis had hem willen naloopen, doch de vluchteling was hem te snel af geweest en had op dak gestaan voor hij het wist. Daar had hij de tong naar hem uitgestoken en het gezicht aangenomen van iemand met wien hij samen wel eens was dronken geweest.
Dan weer, dwarrelde een fragment van zijn vechtpartij door zijn geest. Hij zag zich dan, met zijn dame knus op den divan gezeten, wijn en bitter drinken en nog meende hij haar zachte lippen op zijn schonkige wangen te voelen. Maar, toen had de echtgenoot van zijn geliefde zijn idylle ruw verstoord. Hij had een leeuw tegen hem opgehitst en
83