— Joa — zei Nelis — ik heb een ongeluk gehad. Ik goa
noa huis — me verkleie____
— Bedonderd hè! ’t Is ook een staker Bertha! Het meisje had den groet van Nelis' met een koud knikje beantwoord, doch nu ze van een ongeluk hoorde keek ze vriendelijker.
— Heeft u je bezeerd? vroeg ze op innemenden toon.
— Nei — juffrou — ’t sal wel goan — denk ’k.
Hij wenkte Leendert even terzijde te komen. Deze verontschuldigde zich met een blik bij Bertha en trad op hem toe. Hij grabbelde in zijn vestzak; daar bewaarde hij meestal losse dubbeltjes.
— Jai ken ’m ouk — Mol — jai ken ’m ouk, fluisterde Nelis schor. De vingerbeweging van Leendert had zijn gedachten weer op andere banen geleid.
— Wie — wie zeg je? Wie bedoel je?
— Jai ken ’m ouk — in de Paulus Potter — jai ken ’m
ouk--dank je — jai ken ’m ouk — een ander keir ik--
je ken ’m sicuur —. Loat de maid eife buite wachte — goane me soame____
— Ik ga weg.
— Jai ken ’m ouk — tippel d’r ’s an____Nou een ander
keir dan--je houdt ’t te goed — je ken ’m____
Leendert had ’m reeds laten staan en liep al weer verder met Bertha. Zoo’n middagje konden ze maar uiterst zelden pakken en daarom wilden ze het tenvolle genieten. Hij vermoedde flauw dat Nelis' spreken doelde op een karwei en een onderkruiper, maar hij had geen lust acht te slaan op zijn aanwijzingen. Hij had nu ’t allerliefst alleen maar met Bertha te doen en trachtte zelfs te vergeten dat er een staking was en hij zelf een der meedoeners. In het park kwam baas Hooglandt toch nooit.
Nelis ging de eerste kroeg binnen, die hij gewaar werd
.De gezellige staking. II. 6. 81