— We motte beginne____
Op dat oogenblik kwam een chic jong ventje aangestapt en bleef bij de vechtenden staan. Hij groette den werklieden die zijn groet beantwoordden. Men kende hem als de zoon van Van Hoven.
— Wat gebeurt hier?
— Verschil van opinie, lachte de kameraad van den be-
modderden timmerman____ We goan beginne, mijnheir.
De meesten gingen aan het werk. De jongens en eenige metselaars bleven achter om Nelis te overtuigen, dat hij voorloopig moest uitscheiden met zijn rolpartij.
— Hij mot beginne — ouwe____
— Toe nou — loat ’m nou los--je kan ’m straks
ommers afwachte — as tie noar huis goat____
— Skai nou uit____Keule en Oake binne ommers ouk niet
in ein dag gebouwd____
— Moar-ie mot ’m eirst z’n gulde teruggeife---balkte
Sjorsie.
— Heeft hij een gulden van dien man ? vroeg jongeheer Van Hoven. Hij ziet er anders niet naar uit, of-ie ooit een gulden bezeten heeft.
— Hai heift ’m ferfreite — an pisange....
Van Hoven keek verbaasd op, dan wendde hij zich met korten groet af. Hij voelde zich onpasselijk worden van dat moddergewriemel en kon het niet langer aanzien, dat er niemand krachtig tusschenbeiden kwam.
Hij stak den sleutel in het slot en duwde de deur open. Dan schrok hij en tuimelde bijna omver. Een hond, bijna zoo groot als hij zelf, sprong hem voorbij, regelrecht op de vechtenden toe. In de vestibule stuitte hij op de meisjes, die al dien tijd naar den strijd hadden staan gluren.
— Wat doen jullie hier — zou je niet naar boven gaan ?
77