De timmerman deed braaf zijn best, maar verkeerde in de ongunstigste positie, wijl hij Nelis’ vracht moest verduren en hij ook naar boven moest slaan. Bovendien wendde hij al zijn energie aan om uit den modder te blijven, voorzorgen, die Nelis totaal versmaadde. Deze liet zich meesjokken naar droger plekjes, maar dwong direct daarop, zijn onderman, zich weer te schikken naar zijn inzichten.
— Sal — ik — je — afleire, stootte hij uit en bij elk
woord betastte hij de borstkas van zijn vermeenden medeminnaar, mit — ’n ander se maissie — te beginne____
— Ou-e — loat je niet kenne....
— Heb — je — niet — gedocht — hé, heb je niet gedocht
— ou-e rotkop — dat — ik je — sou snorre____Ik heb — d’r
wel — houre — — gille____
De mannen schaterden het uit en lieten het niet aan toepasselijkheden ontbreken.
— Sou’n ouwe bok — wou — die mit jou maid beginne ____
— Je sat d’r gauw achter — hé keireltje....
— Wou — die jou four de koste loate opdroaie — en hai mit — d’r noar ’t frommelpark....
— Nei — god — jesus — alle — ou-e bliksemstroale —
ik heb je in de goate____Goa moar — bai — je aige — waif
— bai — die ou-e — fullesbak____Se most — toch niks —
fan jou — hé--wat — wat — wat____?
— As se — mal was, lachte Sjorsie____As se sou’n jong
broekie kan kraige as jai--sal se sou’n ouwen ferloupe
timmerman neime____
— Sou'n sjiek — jong fentje dat jai bint.
Daar klonk hamerkloppen; de onderbaas sloeg den roffel ten teeken dat de schafttijd was verstreken.
— Jonges hai klopt af____
76