zijn medeminnaar of zijn vijand was, daar hij hem met zijn bouquet in het gezicht had geslagen.
Hij had den eersten klap te pakken voor hij het wist, doch toen draaide het succes naar zijn kant toe. Met de bedoeling zijn bouquet opzijde te leggen, sloeg hij dat bemodderd ding den timmerman in de oogen, zoodat deze een oogen-blik verblind en versuft was. Nelis draalde niet, zijn motto klonk altijd: Doen — niet dreigen. Hij gaf den man een kinnebakstoot met zijn vuist en rende direct daarop met gebogen hoofd tegen diens borst aan. Zijn vijand stortte achterover en uit gewoonte liet Nelis zich boven op hem vallen.
Er steeg een oorverdoovend gejuich op; dat resultaat had niemand verwacht. Nelis bemodderd, natgezwabberd met klei en kalk bemorst lichaam wentelde zich naar hartelust op en om den naar adem snakkenden timmerman. Hij liet hem niet los, zocht de uitgekozen plekjes op om er zijn vuist op te laten komen en rolde zich bij voorkeur met hem naar de modderigste plekken en plassen.
De jongens en de mannen genoten; in geen maanden hadden ze zoo gezellig geschaft. Sjorsie danste als een roodhuid om de vechtenden en wees Nelis de kunstigste handgrepen aan.
De kameraad van den timmerman wilde tusschenbeiden komen, toen deze al over zijn heele lijf dik bemodderd was. Maar de keetjongen vond dat valsch en ruide den grooten op, om hen heerlijk te laten uitvechten.
— ’t Is fuil, ’t is fuil, joelde hij. ’t Begint nou juist gesellig te
worre — wat jou — Sjorsie____?
— ’t Is einig--godferdikme wat ’n stomp was dat.
Hier ou-e hier ligt nog meir modder.
— Goa toch opsai, flikker op, knorde de keetjongen. Hai
had ’m nou net sou’n mouie sliert kenne geife----
75