in geen geval door hem bemerkt worden en kon zich alzoo niet te ver wagen.
— Nou gaat-ie verder, zei Stien. Jammer — zou-ie naar huis gaan?
Nelis liep langzaam voort, het oog gevestigd op de ruiten van het huis naast de nieuwe villa.
In de voorkamer der eerste verdieping van dat huis, waren twee dienstmeisjes bezig met stof-afnemen. De balcondeuren stonden open en telkens liep een der meisjes naar voren en sloeg buiten, haar doek uit.
Nelis’ oog viel er op en hij begreep aanstonds dat hier zijn „kalletje” woonde. Hij meende haar zelfs direct te herkennen.
De zwarte dienstjapon leek hem van de zwaarste zijde vervaardigd en het doekzwaaien legde hij uit als een uit-noodigend waaierwuiven.
Hartelijk wuifde hij met zijn bouquet terug en liep op het huis toe.
— Zeg — Nico, ik geloof dat-ie bij de Van Hovens gaat aanschellen, porde Stien den jongen in zijn zij. Jezus, daar is-ie goed af.
— W'rom? grinnikte Niko reeds bij voorbaat. Sou-e se hem wat doen?
— Ze hebben een reuzehond, ’t lijkt wel een leeuw.
— Kan-ie leire poardraie — net iets four sou’n lefjonge.
De meisjes van Van Hoven hadden straks wel het bombardement bemerkt, maar er geen bijzondere aandacht aan besteed. Sinds het huis daarnaast in aanbouw was, hadden ze al zoo veel zulke grapjes zien gebeuren en ook wel meegemaakt, dat er voor haar het nieuwe al lang af was. Beiden waren daarom stil aan haar werk gebleven en hadden niets van Nelis’ aanwezigheid bespeurd, tot een haar doek met 68