en schildersjongens schrijlings staande op uitstekende korte-lingen, kwakten hem kledderige stucadoor’s specie om de ooren en bekledderden hem van boven tot beneden met kalksoorten van allerlei kleuren. Ervaren oude metselaars, die drie oude broeken over elkaar aan hadden om zich de reumathiek van het lijf te houden, wierpen hem halve emmers water over zijn hoofd.
Nelis had de grootste moeite om goed in het oog te houden, waar de verschillende stukken vandaan kwamen, wijl hij er prijs op stelde alles naar de respectieve plaatsen terug te gooien. Hij kwam minstens twee paar oogen en tien paar handen te kort daar elk stuk, door hem teruggegooid, weer tot hem kwam, vergezeld van nieuwe voorwerpen.
Eindelijk besloot hij het voorloopig op te geven en maar naar zijn „kalletje" toe te gaan. Nog één heer groette hij en gooide een zwaar stuk balk naar de eerste verdieping Zijn worp was te kort en het stuk viel voor het zijn doel bereikt had, weer op straat. Juist kwam de opzichter van den architect naar buiten. Hij liep snel en kon zijn vaart niet inhouden toen het stuk hout vlak voor zijn voeten viel. Hij struikelde en sloeg zijn neus ten bloede aan een stuk hardsteen dat nabij hem lag.
— Zou jullie verdorie die grapjes niet voor je houden, riep hij gramstorig naar boven.
— We hebbe angenome werk, riep een spotvogel terug.
— Hai heit s’n neus beseird, meldde de keetjongen aan zijn collega op de eerste verdieping. Deze blij met het nieuwtje stuurde het door en aanstonds joelde het gansche karwei op melodie:
— Hai heit s’n neus beseird — hai heit s'n neus beseird. Nelis dacht dat men hem een groet toezong en knikte allen vriendelijk toe. Al hooger en hooger wendde zich zijn knik-66