verteld, aan welke zijde van het bouwwerk, zijn „kalletje” woonde en nu had zich in zijn dronken brein de gedachte genesteld, dat zij dat zou hebben voorzien. Ze verwachtte hem natuurlijk en had zich ongetwijfeld aan het raam gezet, om hem een teeken te geven, dat er een borrel voor hem klaar stond.
Maar achter de ramen van mevrouw Laerden, was geen vrouw te zien. Hij wuifde een keer of wat met zijn bouquet, doch niets bewoog tot teeken van antwoord. Het was hem nu duidelijk; hij moest aan den anderen kant der nieuwe villa zijn. Daar zat ze hem natuurlijk te wachten, met een warme stoof en een „proppie.”
Hij zette zich schrap en stond dra weer overeind, zonder steun van den steenstapel. Dan viel zijn blik op het nieuwe werk. Op den ondersten steiger stonden een paar metselaars grapjes te maken. Ze wierpen stukjes steen naar de timmerlieden die op de verdieping werkten en bukten herhaaldelijk diep neer om een naarbuiten vliegend stuk hout wat hen werd terug gezonden, te ontwijken.
Het amuseerde Nelis een oogenblik, dan nam hij ook een steen en mikte dien naar boven. Dat was een nieuwe factor in de grap der metselaars en aanstonds beantwoordden zij zijn guitenstreek. Ze hadden er schik in dat daar zoo heel onverwacht zich een nieuw deelnemer opdeed en hun gejuich dat daarover opging, riep bijna alle werklieden naar den voorkant. Nelis, eenigszins opgewonden door dat snelle succes had dra geen handen genoeg om alle projectielen terug te gooien, die op hem aanvlogen. De stukken balk en vloerdeelen, brokken steen en exelsiorplaat, oude melk-blikjes, oudbakken boterhammen, cementzakjes en halfvergane emmers hoopten zich rondom hem op.
Alles deed mee om hem eer te bewijzen. Timmermans-
De gezellige staking. II. 5. 65