— Als je me nou.... Ze zei niets meer en worsteldeook niet tegen toen hij, al huppelend op haar schoot, haar drie maal achtereen kuste. Haar oud, maagdelijk hart opende zich geheel voor het schalksch gevrij van den kwajongen en ze vergat er totaal haar aardappelen bij.
Nico had dra genoeg van die late liefde en slingerde zich van haar af, trok twee stoelen naderbij en nam een geëmancipeerde houding aan. Hij stak bedaard een sigarette aan en blies haar den rook in het gezicht.
— Rook jij — en nog wel in staking. Moet je je moeder vuil ondergoed thuisbrengen inplaats van weekgeld ? voer Stien tegen hem uit. Hoe kom je aan de centen?
— Fan Neilissie!
Hij vertelde haar van zijn zending op zoon komische wijze, dat ze het uitschaterde.
— Hai weit nou niet beiter, of se is stoapel mesjoege op
’m---en-ie het me een duppie mee gegeife four ’n beket
en een pisang....
Stien lachte alweer en schudde hem doorelkaar.
— Zeg schun — je hebt toch niets van mij gezegd — wel ?
— Soulang me kwartje goed is.
— Dat zal je hebben.
— Moakt met het duppie faif en dertig spie, goat goed feruit. Hai komt sou metein hier langs.
— Zeg eens, schrikte ze — je haalt me hier geen heibel aan hoor of ik schop jou met Nelissie de straat uit.
— En mit me kwartje, wijsgeerde de jongen. Weis moar niet bang, hai komt niet f’r jou, moar four de foddesak.
— Wie is dat?
— Mé-frouw Loarden, zei hij deftig. Weis moar niet bang, suikerpoppie, stelde hij haar gerust — hai schelt niet an. Ik heb ’t ’m ferboude. Hai wil alleinig sien of se goed gehuisfest
63