ontlokte haar kleine gilletjes en zij zette hem zijn plagerij betaald, met oorvegen en haartrekken. Ze joelden en speelden als kinderen, tot ze van vermoeienis op een stoel neervielen.
— Kom — ik moest maar eens opstappen, zei hij eindelijk.
Ze trachtte hem over te halen, op haar moeder te blijven
wachten.
— Nee Minie liever niet.
— Blaif je niet een kopje thei drinke ?
— Nou niet — later — je weet wel. Zal je hem nou de behulpzame hand bieden als-ie niet verder kan, ja? Van avond zie ik je wel — gewonen tijd. Dag meid!
Een oogenblik later liep hij op straat. Nu de zaak met Douwe haar beslag moest krijgen kwam hij liefst zoo min mogelijk met vrouw Smikkel in aanraking. Ze behoefde ook niet te weten dat hij zoo vertrouwelijk met Mientje omging.
Na een kwartiertje slenteren, trof hij Douwe. Deze keek hem verrukt aan.
— Jij Joop — treft mooi. Ik heb den heele dag naar je gezocht.
— Dat zal wel, dacht Joop. Waar heb jij me dan gezocht ?
— Overal — in de stad. Waar zat je?
— Ik ben met de groote ploeg en Willem-pootje mee geweest.
— Nou — en?
— Iets voor jou, lachte Joop. D’r is gevochten bij het leven. Een stelletje bazen in de Bilderdijkstraat schoten met revolvers, ze verdedigden den kap. ’t Leek ’t fort Chabrol wel. Maar 't gaf niets — de-poot ging naar boven. Iets voor hem, dat moet je maar gelooven.
— Ik heb ’m vroeg gesmeerd en een man weggedragen, die gewond was.
57