viel ze op beslisten toon uit. Dan blaift alles bai het oude — kwebbel dan niet meir over die sukkel.
— Dan kan ’t immers ook niet. Heb je al zekerheid Mien? vroeg hij op anderen toon.
— Dat weit ik niet, zei ze onverschillig —. Als je eins wist hoe wainig ik me daarom druk maak.
— Toe — laten we nu eens sentimenteel doen — he? Je bent toch mijn Mientje. Zeg het nou eens met twee handjes.
— Nei — dan begint het gesanik weir opnieuw.
— Dus — het is zoo.
— Dat weit ik niet — kan ik in soo’n paar dage nog niet segge.
— Dan is de zaak gezond, zei Joop nu heel luchthartig.
Hij lichtte haar op, en zwaaide haar als een kind in het
rond, tot ze allebei weer schaterlachten.
— Zie je wel dat je me gelijk geeft, glunderde hij.
Hij zette haar neer en liep de kamer door. Dan stak hij
een pijp op.
— Rook jai een paip? vroeg ze verwonderd.
— Als ik tabak heb, ja. Nou kijk me eens aan, staat het me soms niet? Mag ik dan een pijp bij je komen rooken en een kopje thee drinken? En met papa Douwe over politieke stroomingen spreken?
— Papa Douwe, gierde Mientje uit, wat hou je al ver.
— Het zou me zoo goed doen als hij een goed huisvadertje werd en erg hartelijk met de kinderen omging.
— Welke kinderen, schaterde Mientje.
— De onze — zei Joop quasi-ernstig.
De ernst was heen. Mientje stak haar arm door den zijne en wandelde gekscheerend de kamer op en neer. Hij dampte er op los, als een schoorsteen en kittelde haar onder de armen, in den hals, overal waar zij er niet tegen kon. Het 56