— Kan je dat eite?
— Misschien vroeg hij je daarom wel, met hem mee te gaan.
Mientje zwaaide onverschillig het hoofd.
— Main een biet.
— Toch zou het zonde zijn, zoon kostelijke kans te vergooien. Vin-je zelf ook niet?
Hij sprak een tikje ernstiger. Mientje keek hem oplettend in de oogen en slingerde zich dan op zijn knieën. Ze vleide haar armen om zijn hals en zoende hem lang en innig op den mond.
Joop voelde de ontroering over hem komen die hem altijd beving, als haar warmbloedig jong lichaam zich zoo nauw tegen hem aan nestelde.
Hij omarmde haar en drukte haar tegen zich aan. Zoo bleven zij een korte wijl zitten.
— Joop — is het je nou heusch — heusch ernst geweist? Mein je het nou eirlijk — eirlijk?
— Ja Mientje.
Ze kwam in opstand.
— Maar ik hou niet van ’m — ik vind ’m een ventje. Hai is een sukkel — een goedaardige sukkel, maar daar blaift het bai. Ik sou hem nooit, als man bai en om me wille hebbe.
Hij streelde haar, maar zei niets.
— Ik hou niet van ’m — ik hou allein van jou — verder heb ik larie aan alles.
— Dat weet ik, kindje.
— Dat weit je — waarom dring je er dan telkens weir op aan? "Waarom dan? Laat het dan liever soo — voor altijd soo blaive.
— Waarom seg je nou niks — waarom nou! Waarom ben je niet flinker voor je self. Jai hebt toch maling aan haar — je geift niks — letterlijk niks — totaal niks om haar.
54