danste een kringetje rond. Jopie — Jopie — heb je ’m gesien ? O — het is soo'n broekie.
Ze sprong en huppelde van pret en rolde ten laatste op den grond van het lachen.
— Ja — nou en of ik____
— Ik heb se nagekeike — ik lag uit het venster tot se de straat uit ware — en toen sag ik jou.
— Meid, meid wees nou stil; hou je nou bedaard.
— Knorrepot — brommepot — plaagde ze en trok aan zijn haar. Dan vielen ze in eikaars armen.
Mientje had geen rust voor ze Joop alles had verteld.
— Ik heb ’m gesegd dat-ie ’t mensch een arm moest geive
— hai dei ’t niet — wel--! Soo’n schobbejak.
— Misschien strakjes — als-ie een paar bekenden tegenkomt.
— Malloot!
— Dom nest!
— Ben ik dat? Hij vroeg — of ik vanmiddag mei uit wandele ging.
— Zoo’n deugniet! spotte Joop.
— Vin-je niet?
— Heb ik het niet gesegd — Minnie — heb ik je niet gewaarschuwd voor zijn verleidingskunsten ? O— het is zoo’n schalk — zoo’n guit.
— Een don Juan — schalkte Mientje.
— Een hartenvermorzelaar — een vrouwenveroveraar.
— Ik had er een voorgevoel van dat jai op de vlakte sou sain, ik dacht nei keireltje — neim m’n moeder moar mei. Ze barstte in een helderen lach los.
— Zei je dat — mal nest ?
— Ben je raar? Moeder hoorde natuurlijk dat-ie het
vroeg, hai mag niks segge wat moeder niet hoore kan____
52