het grappige niet ontveinzen van het geval dat Douwe de kans liep op een ranselpartij, omdat zijn makker Smikkel, aan het werk was gegaan. Smul scheen niet erg met hem op te hebben en dat kon gevaarlijk voor hem worden.
Joop stapte flink aan, ook om zoo spoedig mogelijk uit de gevaarlijke buurt te komen. In de Van Woustraat betrapte hij zich er op, dat hij bijzonder snel liep. Hij glimlachte er om en moest zich bekennen dat zijn haast niet uitsluitend Douwe’s veiligheid gold.
Nu was hij weer dicht bij haar. Het was hem als lag ze al in zijn arm, geurden haar blonde haren hem reeds tegen, lachten haar blauwe oogen hun jool uit. Net wou hij den hoek omslaan der straat, in welke Smikkel woonde toen hij plotseling bleef staan. Iets, iets bespottelijks, iets onnatuurlijks was hem opgevallen; hij trok zich haastig terug, keerde zich om — en barstte in een schaterlach uit. Menschen bleven staan, keken hem aan en liepen hoofdschuddend door. Twee straatjongens staakten een kibbelarijtje om tezamen hem in het ootje te nemen.
In de straat liep vrouw Smikkel. Ze droeg een oude gore rok en een blouse of jak, wat het was had Joop in de haast niet kunnen zien, die vroeger wit moest geweest zijn. Om haar kapsel tegen den wind en haar schouders tegen koude te beschermen droeg ze een groote, roode gebreide omslagdoek. Naast haar liep Douwe, meer in de puntjes uitge-doscht dan ooit, met zijn kleurigste das om en droeg haar boodschappenmand.
Joop stormde de straat door en rende de trap op. Zonder kloppen kwam hij de kamer binnen en viel letterlijk in de armen van Mientje.
— Heb je ’m gesien — heb je ’m gesien? joelde ze en
51