Nadat hij met de hulp van de vrouw, den gewonde een apotheek had binnen gedragen, maakte Joop dat hij wegkwam. Al wat hij zich uit boeken en verslagen omtrent oproeren herinnerde, wees er op dat de straffende hand der overheid zich bij die gebeurtenissen allereerst uitstrekte naar gewonden; in hoofdzaak misschien wel omdat die de minste kans tot ontkomen hadden. Hij vreesde die hand zich verder te zien uitstrekken naar hen, die gewonden hadden bijgestaan en wilde zichzelven voor zoon buitenkansje vrijwaren.
Hij wist wel tevoren, dat het onder leiding van den-ijzeren-poot niet malsch zou toegaan, maar zoo erg als het nu was geloopen, had hij zich het niet kunnen voorstellen. Terwijl hij den man wegdroeg, had hij Groot’s snerpenden gil gehoord en die was hem door de hersenen gedrongen.
Een opstootje mocht hij wel — maar het moest een gezellig karakter blijven dragen. Hij voelde zich te veel man van de wereld en van ervaring om met het dramatische te dweepen.
Zijn gedachten waren nu weer op Douwe gericht en op het mogelijk gevaar dat deze bedreigde. Toch kon hij zich 50