met een bril. Zoo iets zou onmogelijk zijn in een demokra-tisch-geordenden staat.
— Wat preutelt die fent — ’t laikt wel een rus--riep
een staker wantrouwig.
Eenige bouwvakarbeiders trachtten met een zoet lijntje op het voorbalcon te komen en de binnendeur te forceeren. De passagiers hielpen den bestuurder hen af te weren en de hekken te sluiten.
Het gejoel en geschreeuw werd heviger — de woede werd algemeener, naarmate alle pogingen om binnen te dringen, mislukten.
— We motte der in — schreeuwde de-poot woest.
— Mannen ’t gaat niet — ’t gaat niet — geloof me nou, bezwoer de conducteur.
— Flikker dat souitje dan d’r uit.
— Hoe kan ik dat nou doen.
— Manne — goui de ruite in — de ruite in____
Weldra suisde een steen door de lucht, gevolgd door
meerdere. Ze bereikten hun doel niet, doch vielen op de hoofden der opdringende omstanders.
Het geschreeuw werd nu gillen en vloeken — men vreesde voor het leven. Sommige steenen waren leelijk aangekomen; bij enkele mannen gudste het bloed langs de ooren.
Nu er bloed vloeide kende de woede der bouwvakarbeiders geen grenzen, ’t Hitste hen aan — maakte hen wild, zonder dat het in hen op kwam te vragen, door wiens schuld de wonden waren veroorzaakt.
Weldra voegde zich een nieuwe kreet bij het gillen.
— Klabakke — klabakke!
— Smeirisse--smeirisse!
— Se komme de mourdenoars ’n handje hellepe____
— Klasse-justitie! verklaarde de man met z’n bril maar 46